Artikel 7.8 Onderwijs En Examenregeling Ipo

Jaarverslag - Jaarverslag en slotwet ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2005 - Hoofdinhoud

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2005–2006

30 550 VIII                            Jaarverslag en slotwet ministerie van Onderwijs,

Cultuur en Wetenschap 2005

Nr.

1                                                        JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN ONDERWIJS,

CULTUUR EN WETENSCHAP (VIII)

Aangeboden 17 mei 2006

Begrote ontvangsten naar beleidsterrein (in mln €)

Overig: 139,5

  • 1. 

    Primair onderwijs: 43,2

wetenschappen:

116,1

communicatietechnologie:

52,8

  • 11. 

    Studiefinanciering: 351,6

  • 13. 

    Lesgelden:-203,0

onderwijsbijdrage en

schoolkosten:

18,5

Begrote uitgaven naar beleidsterrein (in mln €)

7,1

  • 12. 

    Tegemoetkoming------

onderwijsbijdrage en

schoolkosten:

285,3

  • 11. 

    Studiefinanciering: 2.849,3

communicatietechnologie:

40,5

  • 9. 

    Arbeidsmarkt en personeelsbeleid:

140,7 8.

Internationaal onderwijsbeleid: 15,9

  • 7. 

    Wetenschappelijk

onderwijs:

3.337,9

  • 6. 

    Hoger beroepsonderwijs: 1.802,9

wetenschappen:

839,2

  • 1. 

    Primair onderwijs: 7.881,6

  • 5. 

    Technocentra: 9,2

  • 4. 

    Beroepsonderwijs en

volwasseneneducatie:

2.848,4

  • 3. 

    Voortgezet Onderwijs: 5.570,8

INHOUDSOPGAVE

A.

Forex glossario borsa italiana

ALGEMEEN

Voorwoord

Dechargeverlening

Leeswijzer

6

7

11

B.

BELEIDSVERSLAG

Terugblik Beleidsprioriteiten

De beleidsartikelen

  • 1. 

    Primair onderwijs

  • 3. 

    Voortgezet onderwijs

  • 4. 

    Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

  • 5. 

    Technocentra Overzichtsconstructie beroepsonderwijs Hoger onderwijs

Overzichtsconstructie Deltaplan bèta/techniek Internationaal onderwijsbeleid Overzichtsconstructie internationaal beleid Arbeidsmarkt en personeelsbeleid Overzichtconstructie arbeidsmarkt en personeelsbeleid

Informatie- en communicatietechnologie Studiefinancieringsbeleid Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten Lesgelden Cultuur Media Onderzoek en wetenschappen

De niet-beleidsartikelen

  • 17. 

    Nominaal en onvoorzien

18 t/m 20.

Ministerie Algemeen

Bedrijfsvoeringsparagraaf

6.

8.

9.

13 27 27 47 63 76 78 81 95 97 101 102

105 119 129

139 145 148 161 168 178 178 181 184

C.

JAARREKENING

D.

Verantwoordingsstaat van het ministerie van OCW

194

 

2.

Verantwoordingsstaat van de agentschappen

195

3.

Saldibalans

196

4.

Misbruik en oneigenlijk gebruik van wet- en

 
 

regelgeving

205

5.

Jaarrekening Centrale Financiën Instellingen

 
 

(CFI)

208

6.

Jaarrekening Nationaal Archief (NA)

211

BIJLAGEN

  

1.

RWT’s en ZBO’s

217

2.

Toezeggingen aan de Algemene Rekenkamer

218

3.

Publicatieplicht WOPT

221

4.

Afkortingen

222

5.

Trefwoorden

231

6.

Begrippen

236

1.

A.

ALGEMEEN

VOORWOORD

Het jaarverslag 2005, voor de vierde keer volgens de VBTB-systematiek geschreven, geeft inzicht in de prestaties en resultaten die zijn bereikt met het beleid dat we in 2005 hebben gevoerd, en in de uitgaven die daarmee gemoeid zijn geweest.

Uiteraard zijn niet alle activiteiten van het ministerie in meetbare resultaten te vangen. Waar dat wel mogelijk is, blijkt dat we enkele belangrijke doelstellingen hebben gehaald.

Zo is uit een steekproef gebleken dat de deelname aan VVE programma’s in het primair onderwijs zich goed ontwikkelt en dat scholen in het voortgezet onderwijs meer zeggenschap en middelen hebben gekregen op het gebied van de materiële instandhouding van de huisvesting. In het hoger onderwijs is onder andere de instroom van eerste jaars studenten in bèta en techniek toegenomen.

Daarnaast heeft het project OCW Ontregelt in 2005 geleid tot concrete voorstellen voor de vermindering van regeldruk met gemiddeld 29% in 2007 (ten opzichte van 2003).

De doelstellingen op het gebied van voortijdig schoolverlaten hebben we echter niet kunnen halen. Dat is zorgelijk. Daarom is in 2005 de «aanval op de uitval» ingeluid.

2005 was ook voor het ministerie van OCW zelf een belangrijk jaar.

Met het actieplan OCWVerandertis een heroriëntatie van het departement aangekondigd, met als doel OCW verder te ontwikkelen tot een flexibele en naar buiten gerichte organisatie die snel en adequaat kan inspelen op politieke en maatschappelijke vragen. In de bedrijfsvoeringsparagraaf leest u hier meer over.

De opbouw van het jaarverslag 2005 volgt de Rijksbegrotingsvoorschriften. Het jaarverslag is onderverdeeld in een algemeen gedeelte, een beleidsterugblik en een jaarrekening.

Een nieuw element in het voorliggende jaarverslag is de verwijzing naar relevante beleidsdocumenten.

DECHARGEVERLENING

Verzoek tot dechargeverlening van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap decharge te verlenen over het in het jaar 2005 gevoerde financiële beheer met betrekking tot de uitvoering van de begroting van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld van haar bevindingen en haar oordeel met betrekking tot:

  • a. 

    het gevoerde financieel en materieelbeheer;

  • b. 

    de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

  • c. 

    de financiële informatie in het jaarverslag en de jaarrekening;

  • d. 

    de departementale saldibalans;

  • e. 

    de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

  • f. 

    de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen, naast het onderhavige jaarverslag en het hierboven genoemde rapport van de Algemene Rekenkamer, de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

  • a. 

    Het financieel jaarverslag van het Rijk over 2005; dit jaarverslag wordt separaat aangeboden.

  • b. 

    De slotwet van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het jaar 2005; de slotwet is als afzonderlijk kamerstuk gepubliceerd.

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen;

  • c. 

    Het rapport van de Algemene Rekenkamer over het jaar 2005 met betrekking tot de onderzoeken, bedoeld in artikel 83 van de Comptabiliteitswet 2001.

    Dit rapport, dat betrekking heeft op het onderzoek van de centrale administratie van ’s Rijks schatkist en van het financieel jaarverslag van het Rijk, wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aangeboden.

  • d. 

    De verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het financieel jaarverslag van het Rijk over 2005 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2005, alsmede met betrekking tot de saldibalans van het Rijk over 2005 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 84, derde lid, van de

Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. J. A. van der Hoeven

mede namens

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M.

Rutte

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. C. van der Laan

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

LEESWIJZER

Het departementaal jaarverslag 2005 bestaat uit de volgende onderdelen:

A.  Een algemeen deel

B.  Het beleidsverslag

C.  De jaarrekening

D.  Bijlagen

A.  Het algemeen deel bevat het voorwoord, de dechargeverlening en deze leeswijzer.

B.  Het beleidsverslag kent de volgende elementen:

  • 1. 

    Terugblik beleidsprioriteiten

  • 2. 

    De beleidsartikelen

  • 3. 

    De niet-beleidsartikelen

  • 4. 

    Overzichtsconstructies

  • 5. 

    Bedrijfsvoeringparagraaf

  • 1. 

    Terugblik beleidsprioriteiten

In de beleidsterugblik kijken we terug op hoofdlijnen op 2005.

2005 was vooral een uitvoeringsjaar. Met een stagnerende daling van het aantal voortijdig schoolverlaters, maar aan de andere kant bijvoorbeeld meer studenten voor bèta en techniek.

  • 2. 

    De beleidsartikelen

In de begroting 2005 werden de beleidsartikelen volgens de WWW-vragen beantwoord.

Voor het jaarverslag over 2005 zijn de Rijksbegrotingsvoorschriften gevolgd die naar aanleiding van het overleg over de evaluatie VBTB zijn aangepast. De aanpassing heeft de toegankelijkheid en beknoptheid van het jaarverslag bevorderd.

  • 3. 

    De niet-beleidsartikelen

Op artikel 17 (Nominaal en onvoorzien) wordt een overzicht gegeven van de verdelingen van tijdelijk geparkeerde middelen, zoals bijvoorbeeld de loon- en prijsbijstelling.

De apparaatsuitgaven van het bestuursdepartement, de inspecties en de adviesraden worden op artikel 18 t/m 20 (ministerie algemeen) verantwoord.

  • 4. 

    Overzichtsconstructies

Net als in de begroting 2005 zijn de volgende overzichtsconstructies opgenomen:

+ Beroepskolom + Deltaplan bèta/techniek + Internationaal beleid + Arbeidsmarkt en personeelsbeleid

  • 5. 

    Bedrijfsvoeringsparagraaf

In de bedrijfsvoeringparagraaf wordt verslag gedaan over de bedrijfsvoering.

De paragraaf bevat tevens de mededeling bedrijfsvoering. Deze heeft betrekking op het financieel en materieel beheer en de daarvoor bijgehouden administraties.

C.  De jaarrekening bevat de verantwoordingsstaten en de saldibalans.

Tevens bevat de jaarrekening de verantwoording van de agentschappen Centrale Financiën Instellingen (CFI) en de Nationaal Archief (NA) voorheen Rijksarchiefdienst (RAD).

D.  De volgende bijlagen zijn opgenomen:

  • 1. 

    Toezichtsrelaties RWT’s en ZBO’s

  • 2. 

    Toezeggingen aan de Algemene Rekenkamer

  • 3. 

    Publicatieplicht WOPT

B.

BELEIDSVERSLAG

Het beleid voor onderwijs, cultuur en wetenschap heeft in al zijn verscheidenheid een gemeenschappelijk element: het richt zich op de talenten van mensen. Onder het motto elke leerling is uniek, elke leerling telt,willen we leerlingen de kans bieden om hun talenten optimaal te leren kennen en te gebruiken.

Daarbij is naast de vakinhoud ook sociale vorming een doel. De grote belangstelling van leerlingen voor de maatschappelijke stage, maakt duidelijk dat ze betrokken zijn bij de samenleving en daar een positieve bijdrage aan willen leveren.

In de wetenschap is het streven naar excellentie een belangrijke leidraad voor het beleid.

Excellente wetenschap ontstaat als gedreven onderzoeks-talenten ervaringen uitwisselen, van elkaar leren én proberen elkaar te overtreffen. Daarom worden jonge, getalenteerde mensen uitgedaagd tot een carrière in de wetenschap. Ten slotte draait ook cultuur om talent. Meer mensen moeten kennis kunnen nemen van de kunst die het resultaat is van het talent van kunstenaars en andere professionele creatieven. En meer mensen moeten actief kunnen deelnemen aan kunst en cultuur.

Het actieplan Cultuurbereik dat in 2005 van start is gegaan, richt zich daarop.

Het kabinet investeerde het afgelopen jaar fors in de kennissamenleving. Zo is er via de aardgasmeevaller € 1060 miljoen voor kennis, innovatie en onderwijs beschikbaar gekomen.

Van de totale aardgasmeevaller kan OCW vooralsnog € 690 miljoen inzetten voor wetenschap, cultureel ergoed en onderwijs. Bovendien streeft het kabinet naar een aandeel voor kennis en innovatie van 50% van de meevallers in het Fonds Economische Structuurversterking (FES).

Tegelijkertijd is de aanval ingezet op de uitval. Het aanhoudend hoge aantal voortijdige schoolverlaters vraagt om een intensievere, sectoroverschrijdende aanpak, gebaseerd op praktische oplossingen en actuele kennis van zaken.

In het primair en voortgezet onderwijs zijn voorbereidingen getroffen om het achterstandenbeleid beter af te stemmen op de leerlingen die dat het hardst nodig hebben. Voor het vmbo zijn vorig jaar maatregelen aangekondigd om onder meer een betere aansluiting op het mbo mogelijk te maken. In juli 2005 verscheen de «governancebrief», over de bestuurlijke verhoudingen tussen de verschillende partijen in het onderwijs en de minister.

Centrale gedachte in de brief is dat het onderwijs in de eerste plaats een zaak is van docenten, leerlingen, ouders en studenten én van de maatschappelijke omgeving.

Dat heeft grote gevolgen voor de OCW-organi-satie zelf en voor de omgang met anderen.

Met de afschaffing van het lesgeld voor leerlingen in het voortgezet onderwijs en voor 16- en 17-jarigen in het MBO heeft OCW bijgedragen aan het kabinetsstreven om de lasten voor de burgers te verlichten, en vervalt een belangrijke uitgavenpost voor gezinnen met kinderen.

Ongeveer 160 000 ouders van leerlingen profiteren daarvan. Om het innovatievermogen van het bedrijfsleven – en daarmee de slagkracht van onze economie – te bevorderen, hebben de ministeries van OCW en EZ de wisselwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen gestimuleerd.

ONDERWIJS- EN EXAMENREGELING. Industrieel Product Ontwerpen. De Haagse Hogeschool

Een ander speerpunt was valorisatie: het in maatschappelijke en economische meerwaarde omzetten van resultaten van onderzoek.

Dit jaarverslag biedt een bondige verantwoording van het gevoerde beleid in 2005. In paragraaf 2 blikken we in algemene zin terug op het jaar 2005.

Leidraad daarbij zijn de beleidsprioriteiten zoals die in de begroting 2005 zijn geformuleerd.

  • 2. 

    Naar een maximale participatie: meer mensen die meedoen

2.1 Voorkomen voortijdig schoolverlaten

Het aantal nieuwe schoolverlaters is nog altijd hoog.

In 2005 verlieten 57 000 jongeren voortijdig de school, in 2003 en 2004 waren dit er jaarlijks 64 000. Te veel jongeren ondervinden problemen in hun leerloopbaan, waardoor ze te vroeg stoppen en geen startkwalificatie halen. Met dit lage opleidingsniveau is het voor hen moeilijk om een goede positie op de arbeidsmarkt te verwerven. Scholen en direct betrokkenen uit de praktijk bevestigen dit beeld.

De te beperkte daling van het aantal voortijdig schoolverlaters brengt de realisatie van de Lissabondoelstelling (50% minder voortijdig schoolverlaters in 2010) in gevaar.

Daarom heeft het kabinet bij de verdeling van de middelen uit het zogenaamde Fonds Economische Structuurversterking (FES) voor 2006 en 2007 € 400 miljoen gereserveerd voor de aanpak van onder andere taalachterstanden door VVE, leerlingbegeleiding, een betere registratie van de uitvallers, meer praktijk(gericht) onderwijs in het vmbo en mbo en een betere doorstroming van het vmbo naar het mbo.

Daarnaast beziet het kabinet of de partiële leerplicht wordt omgezet in een volledige leerplicht.

How to profit off options trading

Overige maatregelen zijn te vinden in de brief hierover die de minister en staatssecretaris van Onderwijs in het voorjaar van 2006 naar de Tweede Kamer sturen.

Oprichting projectdirectie Leren&Werken

In maart 2005 is de gezamenlijke projectdirectie Leren&Werken van de ministeries van SZW en OCW van start gegaan.

Ook de ministeries van EZ, LNV en V&I leveren mensen en/of middelen voor deze projectdirectie. Een belangrijk doel van Leren & Werken is dat meer mensen hun werk, of het zoeken naar werk, combineren met scholing die tot kwalificaties leidt. De projectdirectie Leren& Werken heeft in 2005 veel contacten gelegd met partijen als werkgevers, scholingsaanbieders, kenniscentra, gemeentes, CWI en UWV. De partijen worden gestimuleerd samenwerkingsafspraken te maken om duale trajecten te realiseren in combinatie met afspraken over Elders Verworven Competenties(EVC)-trajecten en het oprichten van een leerwerkloket.

Als gevolg daarvan zijn in 2005 acht intentieverklaringen getekend. Daarin is afgesproken om 9 850 duale trajecten, 6 500 EVC-trajecten en 5 leerwerkloketten te realiseren.

Begin 2006 is de mijlpaal van 15 000 duale trajecten bereikt: 15 000 mensen combineren werk met een opleiding, met een startkwalificatie als resultaat.

Vmbo-plannen

In het voorjaar van 2005 stuurde het kabinet de notitie «VMBO: het betere werk; Onderwijs dat hoofd en handen verbindt» naar de Kamer (Kamerstukken II, 30 089, nr.

1). De notitie is een vervolg op Koers VO (Kamerstukken II, 29 200 VIII, nr. 151) en kondigt maatregelen aan die moeten leiden tot meer praktijkgericht onderwijs, meer aandacht voor leerlingen met gedrags- en leerproblemen, vernieuwde onderwijsprogramma’s en examinering, een betere aansluiting op het vervolgonderwijs, en voldoende en goed personeel in moderne, veilige en kleinschalige onderwijsom-gevingen.

De notitie liep vooruit op het interdepartementaal beleidsonderzoek dat in dezelfde periode werd uitgevoerd naar het vmbo. De IBO-werkgroep constateerde dat er ruimte is om de prestaties van het

vmbo te verbeteren. De aanbevelingen richten zich op dat wat de rijksoverheid kan doen. Ze hebben vooral betrekking op een heldere verantwoordelijkheidsverdeling, duidelijk en consequent toezicht, een betere toerusting van vmbo-scholen voor zorgleerlingen, en op beleid dat kan bijdragen aan een beter imago van het vmbo.

Het kabinet heeft een groot deel van de aanbevelingen overgenomen.

Vanaf 2005 is in de meerjarenraming structureel circa € 25 miljoen extra uitgetrokken voor het vmbo. Verder kreeg het vmbo in 2005 uit de extra aardgasbaten een heel stevige impuls voor praktijklokalen: € 237 miljoen van de in totaal € 300 miljoen aan FES-geld dat in 2005 beschikaar kwam voor voorgezet en primair onderwijs.

Naar praktijksimulatie in het VSO gaat € 27 miljoen en naar de brede school € 36 miljoen.

Vernieuwing en versterking mbo

In 2005 is een belangrijke stap gezet in de vernieuwing van het middelbaar beroepsonderwijs. Kwalificaties worden herzien en het onderwijs aangepast zodat er een betere aansluiting komt tussen onderwijs en arbeidsmarkt en deelnemers meer uitgedaagd worden. Eén van de activiteiten in dit verband is de nieuwe «arbeidsmarktkwalificerende assistentopleiding» (AKA).

Deze nieuwe opleiding wordt speciaal ontwikkeld voor risicoleerlingen. Het biedt hen een bredere oriëntatie op de arbeidsmarkt als voorbereiding op verdere doorstroom naar een beroepsopleiding op niveau 2 of op de arbeidsmarkt. In het schooljaar 2005–2006 volgen inmiddels 6 620 deelnemers deze opleiding. Met de zogenaamde «Lambrechts-middelen» zijn 13 projecten ondersteund om stageplaatsen te werven voor deze deelnemers.

Eind 2005 hebben de sociale partners en het kabinet in het kader van de «Werktop» afspraken gemaakt over onder andere meer stageplaatsen voor het beroepsonderwijs. Het kabinet heeft hierbij toegezegd extra middelen vrij te maken voor deze stageplaatsen, voor simulatieplaatsen voor risicoleerlingen en voor extra begeleiding van deze groep.

Verder is in 2005 het wetsvoorstel aangenomen dat per 1 januari 2006 voor risicoleerlingen samenwerkingsconstructies mogelijk maakt tussen instellingen voor voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs.

Ten slotte is in 2005 € 59 miljoen beschikbaar gekomen uit de extra aardgasbaten (het FES) om de aansluiting tussen het MBO en arbeidsmarkt te verbeteren.

Het geld gaat onder meer naar docentenstages, leren in bedrijf en ontwikkeling van leermiddelen.

Operatie JONG, jeugdbeleid, jeugdwerkloosheid

Operatie Jong voerde in 2005 een aantal plannen uit, gebaseerd op het

document Operatie Jong: sterk en resultaatgericht voor de jeugd(juni

2004) (Kamerstukken II, 29 284, nr.

2).

OCW heeft het voortouw bij enkele

plannen:

+ Meer samenhang in voorzieningen voor kinderen van 0–12 jaar: we hebben praktische instrumenten ontwikkeld en verspreid om de samenwerking tussen openbare bibliotheken en brede scholen te verbeteren. Verder hebben we onder meer de samenwerking tussen cultuur en school gestimuleerd, en gezorgd voor de verspreiding van informatie en kennis in twee nieuwsbrieven en het Jaarbericht 2005 (Kamerstukken II, 29 284, nr.

10). Daarnaast hebben we het project «brede scholen in kleine gemeenten» gerealiseerd en onderzoek uitgevoerd naar knelpunten in wet- en regelgeving voor brede scholen.

1a Onderwijs aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen

Ten slotte hebben we een evaluatiemodel laten ontwerpen voor de ontwikkeling van brede scholen. Dat wordt in 10 gemeenten verder getest.

+ Versterken zorgstructuur in en rond de school: in 2005 hebben we de toename van het aantal zorgadviesteams in en rond scholen voor

primair en voortgezet onderwijs en ROC/AOC-instellingen verder gestimuleerd. Het zorgadviesteam (ZAT) is verreweg de meest voorkomende vorm van samenwerking tussen scholen en externe instellingen.

In de regio zijn ook kwaliteitscriteria ontwikkeld die zich richten op borging en samenwerking in het zorgadviesteam. De monitor 2005 van het Landelijk Centrum Onderwijs en Jeugd (LCOJ) laat zien dat het aantal zorgadviesteams flink is toegenomen: in het primair onderwijs van 20% in 2003 naar 63% in 2005, in het voortgezet onderwijs van 89% in 2004 naar 91% in 2005 en in het BVE van 43% in 2004 naar 65% in 2005.

Ook laat de monitor zien dat scholen, samenwerkingsverbanden voortgezet onderwijs, gemeenten en provincies onveranderd positief zijn over de resultaten die de ZAT’s boeken. Het overgrote deel van de samenwerkingsverbanden voortgezet onderwijs (80%) is van mening dat de zorgadviesteams over het algemeen de ingebrachte leerlingen (zeer) adequaat en doeltreffend helpen (in 2004 bedroeg dit percentage 62%).

Bij de gemeenten vindt 67% dat er (zeer) adequaat en doeltreffend wordt gehandeld. De scholen oordelen zelf ook positief en rapporteren dat er in vergelijking met 2004 sneller begeleiding of hulp wordt geregeld, dat de samenwerking met externe instellingen is verbeterd en voortijdig schoolverlaten is afgenomen.

+ De Taskforce Jeugdwerkloosheid en MKB-Nederland hebben gezamenlijk ten opzichte van 2003 eind 2005 ruim 24 000 jongeren extra op een (leer)werkbaan geplaatst. Hiermee is de beoogde doelstelling van 22 500 jongeren gehaald. Daarnaast wordt de verdere invoering van gemeentelijke jongerenloketten gestimuleerd waarin verschillende instanties (CWI, Sociale Dienst, RMC.

ROC’s e.d) samenwerken om werkloze jongeren weer zo spoedig mogelijk naar school en/of werk te begeleiden. Daarnaast heeft de Taskforce nog tal van andere activiteiten uitgevoerd, waaronder stimulering van beroepsoriëntatie. Zo wordt samen met de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven de actie «Kom in het leerbedrijf» uitgevoerd waarbij leerlingen uit het vmbo en decanen een bezoek kunnen brengen aan een groot aantal bedrijven.

Herziening gewichtenregeling/achterstandenbeleid

Het Hoofdlijnenakkoord van het kabinet Balkenende II kondigde een herijking aan van het onderwijsachterstandenbeleid, met als doel het onderwijsachterstandenbeleid effectiever en efficiënter te maken.

Het huidige gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid wordt in het kader van deze herijking per 1 augustus 2006 beëindigd.

Gemeenten blijven wel verantwoordelijk voor de voor- en vroegschoolse educatie (VVE). Daarnaast zullen gemeenten verantwoordelijk worden voor schakelklassen. Dat zijn tijdelijke voorzieningen voor basisschoolleerlingen met extra grote (taal)achter-standen.

Per 1 augustus 2006 treedt de nieuwe gewichtenregeling in werking (met personele bekostigingsconsequenties in augustus 2007).

Bij de huidige gewichtenregeling is etniciteit het criterium voor de toekenning van een schoolgewicht. Bij de nieuwe gewichtenregeling wordt het opleidingsniveau van de ouders het criterium. Daardoor sluit de regeling beter aan bij de feitelijke achterstanden van leerlingen. Dat betekent onder meer dat autochtone achterstandsleerlingen meer aandacht kunnen krijgen.

Bovendien helpt de nieuwe regeling om segregatie te voorkomen. De cumi-regeling VO maakt plaats voor de Regeling Leerplusarrangement VO en Nieuwkomers VO, die zich richt op scholen waar problemen zich ophopen. Het arrangement treedt op 1 augustus 2006 in werking (bekostigingsconsequenties in januari 2007). Ten slotte zijn het afgelopen jaar de voorbereidingen getroffen voor de regeling dat per 2007 nieuwe

basisscholen bij de stichting uit maximaal 80% achterstandsleerlingen mogen bestaan.

Op 1 augustus 2005 zijn de pilots schakelklassen gestart.

Integratie en veiligheid

Niet alleen onderwijs is een «motor voor integratie» (SCP), maar ook cultuur, media en wetenschap leveren zinvolle bijdragen aan het integratiebeleid. In 2005 is een groot aantal initiatieven ontplooid om de integratie te bevorderen. Naast de herijking van het onderwijsachterstandenbeleid zijn maatregelen getroffen om te bevorderen dat burgerschap en sociale cohesie een duidelijke plaats krijgen in het onderwijs.

Verder verscheen in november 2005 het aanvalsplan Laaggeletterdheid 2006–2010 «Van A tot Z betrokken», dat een brede aanpak aankondigt van het (functionele) analfabetisme in Nederland (Kamerstukken II, 30 300 VIII, nr. 142). In plaats van € 400 000, stellen de bewindslieden van OCW jaarlijks ruim € 4 000 000 beschikbaar voor een aanpak waarmee we laag-geletterdheid ook willen voorkómen.

De daling van het aantal volwassenen dat deelneemt aan een basiscursus in de educatie is inmiddels tot staan gebracht.

De invoering van de maatschappelijke stage in het voortgezet onderwijs is een succes. Leerlingen maken in de stage kennis met allerlei aspecten van de samenleving.

Dat draagt bij aan hun maatschappelijke betrokkenheid en aan aan hun besef van waarden en normen. In 2005 boden 131 scholen hun leerlingen de mogelijkheid om een maatschappelijke stage te volgen. Dat is al bijna 20% van het totaal aantal scholen. De verwachting is dat in 2006 ruim 60% van de scholen meedoet. In 2007 ontvangen alle scholen extra geld om de maatschappelijke stage op hun school mogelijk te maken.

In het beleidsplan «Interculturele programmering», de Cultuurnota en het Actieplan Cultuurbereik zijn verschillende initiatieven aangekondigd om toenadering, samenwerking en een divers personeelsbeleid binnen de cultuursector te bevorderen.

In reactie op het advies van de Onderwijsraad «Bakens voor spreiding en integratie» is een beleidsnota met de Tweede Kamer besproken (Kamerstukken II, 30 204, nr.

5) waarin maatregelen worden aangekondigd om de segregatie in het onderwijs te verminderen en de integratie te bevorderen. Een van de maatregelen verplicht de scholen met de gemeente te overleggen over hun bijdrage aan de bestrijding van segregatie en bevordering van integratie.

Om de veiligheid in het voortgezet onderwijs te vergroten, investeert OCW vanaf eind 2004 extra in het veiligheidsbeleid.

Het gaat onder meer om extra leerlingbegeleiding voor PO en VO en opvangmogelijkheden voor gedragsmoeilijke leerlingen: oplopend tot 1000 extra plaatsen ZMOK-onderwijs en oplopend tot 1500 plaatsen in de reboundvoorzie-ningen.

2.2 Andere acties op het gebied van maximale participatie

Cultuur en school

Het programma Cultuur en School bevordert de samenwerking tussen scholen en culturele instellingen. In overeenstemming met het onderwijsbeleid staat de vraag van de school daarbij centraal.

Tegelijkertijd worden culturele instellingen gestimuleerd om meer vraaggericht te werken. En met succes. Ongeveer 2800 scholen in het primair onderwijs namen in 2005 deel aan de regeling Versterking cultuureducatie in het primair onderwijs.Daarmee is de doelstelling gehaald. In 2004 waren het er nog

  • 712. 

    Uit de eerste onderzoeksgegevens blijkt dat de deelnemende scholen meer culturele activiteiten ontplooien, dat een groter aantal van hen een zogenaamde Interne Coördinator Cultuureducatie heeft en dat meer scholen beleid op schrift hebben gesteld.

Met de gemeenten en provincies zijn afspraken gemaakt om te stimuleren dat culturele instellingen passende cultuureducatieve activiteiten aanbieden en dat netwerken van scholen en culturele instellingen tot stand komen.

Provincies zorgen voor de bovenlokale coördinatie en bemiddeling, en stimuleren de gemeenten tot 90 000 inwoners om een cultuur-educatiebeleid te ontwikkelen. Het projectbureau Versterking Cultuureducatie in het primair onderwijs heeft gezorgd voor flankerend beleid, zoals de ontwikkeling van de cursus Interne Coördinator Cultuureducatie. In het voortgezet onderwijs namen vanaf het schooljaar 2004–2005 twintig scholen deel aan de pilot «cultuurprofielscholen».

Steeds meer leerlingen (72% in 2005) gebruiken hun ckv-vouchers. De intensivering op het gebied van cultuureducatie wordt zorgvuldig gemonitord door de Commissie Cultuurprofielscholen en onderzoeksbureau Sardes.

Actieplan cultuurbereik

De nieuwe regeling Actieplan Cultuurbereik (Kamerstukken II, 29 200 VIII, nr.

133) is in 2005 van start gegaan. Doelstelling van het Actieplan cultuur-bereik 2005–2008 is het culturele bewustzijn van burgers te versterken. Kunst en cultuur van architectuur tot beeldende kunst en van culturele planologie tot de lokale en regionale omroepen moeten meer publiek bereiken, en meer mensen moeten er actief aan kunnen deelnemen.

De regeling voor deze periode biedt meer keuzevrijheid dan voorheen aan gemeenten en provincies en kent een vierjaarlijkse in plaats van een jaarlijkse verantwoording. Op basis van deze regeling hebben de betrokken gemeenten en provincies (in totaal 42) een beschikking ontvangen voor de periode 2005–2008.

Voor 2005 hebben zij geld gekregen om de programma’s uit te voeren die ze opgesteld hebben. Aan de programma’s zijn meetbare doelstellingen verbonden. In 2005 is verder een evaluatie- en monitoringtraject opgezet dat zich richt op de analyse van de doelstellingen en programma’s. In 2009 vindt de eindevaluatie plaats.

Mediabeleid

Door digitale technologie veranderen niet alleen het media-aanbod, de productie en distributie van media, maar ook het mediagebruik van mensen.

De publieke omroep moet daarop inspelen, wil hij zijn opdracht blijven waarmaken. In juni 2005 presenteerde het kabinet zijn toekomstvisie op de publieke omroep vanaf 2008, Met het oog op morgen.... (Kamerstukken II, 29 800 VIII, nr. 234). Het kabinet pleit daarin voor creatief ondernemerschap van de publieke omroep en stimuleert een optimale prijs/kwaliteitsverhouding.

In de toekomstvisie staan de kijker en luisteraar centraal. Om zoveel mogelijk mensen aan de publieke omroep te binden, moeten de publieke programma’s herkenbaar zijn en beter op elkaar worden afgestemd. De programmering moet crossmediaal zijn en op alle platforms worden aangeboden, zodat ze aansluit bij het mediagedrag van het publiek. Daarom heeft de publieke omroep een traject ingezet om het publiek nog beter te bereiken, met verbeterde programmering op radio en televisie.

Daarnaast komt er een breed multi-mediaal offensief om beter in te spelen op de behoeften en het andere mediagebruik van jongeren. Het afgelopen jaar hebben minder kijkers afgestemd op de publieke omroep, onder meer omdat deze zijn voetbalrechten verloor en omdat een extra commerciële zender zijn entree maakte.

Dit heeft direct gevolgen voor de reclame-inkomsten bij de publieke omroep.

  • 3. 

    Een aantrekkelijk beroep in het onderwijs

In 2005 was de onderwijsarbeidsmarkt in evenwicht.

Een belangrijk resultaat, dat te danken is aan economische en demografische omstandigheden, maar ook aan het beleid dat we de afgelopen jaren hebben gevoerd. In juni 2004 is het beleidsplan Een goed werkende onderwijsarbeidsmarktgepresenteerd, dat gaat over het onderwijspersoneel (Kamerstukken II, 29 200 VIII, nr.

151). Daarin zijn 17 doelstellingen geformuleerd om in 2007 te bereiken dat scholen beter kunnen inspelen op conjunctuurschommelingen op de onderwijsarbeidsmarkt. In 2005 zijn daartoe veel activiteiten in gang gezet en projecten in uitvoering genomen:

+ Tien risicoregio’s zijn projecten gestart om hun regionale arbeidsmarktproblemen op te lossen.

De werkgevers hebben in de regio met opleidingen, gemeenten, arbeidsvoorziening en bedrijven nadere afspraken gemaakt over matching van vraag en aanbod en over vernieuwing van de organisatie van het onderwijs. + Scholen hebben meer armslag gekregen voor goed personeelsbeleid. Voor het primair onderwijs is het bedrag gestegen van circa € 300 miljoen (2001) naar € 500 miljoen in 2005.

Voor het voortgezet onderwijs gaat het om een bedrag van € 378 miljoen in 2005 (was € 260 miljoen in 2001). + Het ziekteverzuim onder leraren is verder afgenomen. In het PO ging het ziekteverzuim van bijna 9% (2000) naar 6,58% in 2004 en in het VO van bijna 8% naar 5,57%. + Vijftien pilotscholen hebben voorbeelden ontwikkeld van meerjarige

personeelsplanningen en bekwaamheidsdossiers.

+ Alle zeven hbo-lerarenopleidingen voor het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs boden de éénjarige kopopleiding aan. + De bekwaamheidseisen voor leraren in het primair en voortgezet onderwijs, het middelbaar beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie zijn vastgesteld.

+ Belangrijke afspraken zijn gemaakt met VSNU en HBO-raad over de kwaliteitsverbetering van de lerarenopleidingen. De instellingen in het hoger onderwijs en het ministerie zijn inmiddels met de uitvoering begonnen.

I Mededelingen van algemene aard

+ Het Landelijk Platform voor de Beroepen in het Onderwijs is geïnstalleerd. + Er is een nieuwe meerjarige cao voor het onderwijspersoneel in het primair en voortgezet onderwijs afgesloten.

De komende jaren zijn er geen tekorten te verwachten in het primair onderwijs.

In die sector zal sprake zijn van een delicaat evenwicht, met mogelijk regionaal kleine overschotten of tekorten. Voor het voortgezet onderwijs wordt wel een fors tekort voorzien, al vanaf 2007.

We zullen samen, scholen, lerarenopleidingen en overheid, alle zeilen moeten bijzetten om het niet zo ver te laten komen.

  • 4. 

    Innovatie en versterking van de (top-)kennisinfrastructuur

Wetenschapsbeleid

Om onze hoge ambities voor de kenniseconomie en de kennissamenleving te kunnen waarmaken, zijn hoog opgeleide mensen nodig.

Of het nu gaat om doorbraken in fundamenteel onderzoek of om succesvolle innovatie, alles hangt af van de mate waarin we erin slagen talent de ruimte te geven. In de beleidsnotitie «Onderzoekstalent op waarde geschat»

(Kamerstukken II, 30 300 VIII, nr. 11) wordt een samenhangend pakket aan maatregelen aangekondigd om het voor jonge mensen aantrekkelijker te maken om promotieonderzoek te doen, om ons wetenschappelijk talent beter te benutten en om betere carrièreperspectieven te kunnen bieden.

Extra middelen kwamen beschikbaar als gevolg van het Paasakkoord en de FES-meevaller.

Deze worden ingezet voor grootschalige onderzoeksfaciliteiten (€ 100 miljoen), een Top Pharma Instituut (€ 130 miljoen), voor versterking van de samenwerking tussen de drie technische universiteiten (€ 50 miljoen) en voor een aantal kleinere projecten ter versterking van de kennisinfrastructuur.

Om de beste onderzoekers en onderzoeksgroepen en de beste samenwerkingsverbanden van bedrijven en kennisinstellingen meer armslag te geven, is vanaf 2007 € 100 miljoen beschikbaar uit de enveloppe Balkenende II.

Over de regeling voor deze «smart mix» is overeenstemming bereikt tussen de ministeries van OCW en EZ en tussen NWO en Senter-Novem, die de regeling gaan uitvoeren. De regeling is op 7 november 2005 aan de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II, 29 338, nr. 40). Op 27 maart 2006 is de definitieve smart mix gepubliceerd. Eveneens vanaf 2007 wordt een bedrag van € 100 miljoen uit de eerste geldstroom van de universiteiten herverdeeld op basis van hun aandelen in de tweede en (delen van de) derde geldstroom.

Om te adviseren over verdere inhoudelijke dynamisering is de commissie Dynamisering ingesteld. De commissie betrekt het onderwerp «matching» bij haar advisering en brengt in april 2006 rapport uit.

Wisselwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen wordt onder meer gestimuleerd door kennisvouchers toe te kennen aan met name het midden- en kleinbedrijf.

Het ministerie van EZ verstrekt deze vouchers. Het programma TechnoPartner dat OCW samen met EZ uitvoert, werd voortgezet. OCW is verantwoordelijk voor de institutionele component van dit programma en dat leidde ertoe dat universiteiten meer helderheid kregen over hun taken op het gebied van valorisatie: het in maatschappelijke en economische meerwaarde omzetten van resultaten van onderzoek.

De Tweede Kamer ontving een Voortgangsrapportage over de wijze waarop TNO en de Grote Technologische Instituten werken aan een meer vraaggestuurde opzet en een bijbehorend financieringsmodel (Kamerstukken II, 29 338, nr.

41). In de Voortgangsrapportage worden kennisthema’s gedefinieerd waarop ons land in de toekomst een kennispositie moet opbouwen en zijn per thema regievoerende departementen aangewezen.

Voor een aantal maatschappelijk relevante vraagstukken (grote steden, pensioenen en vergrijzing, internationalisering van het recht) is besloten maatschappelijke topinstituten te vormen die de beste kennis samen moeten brengen met kennisvragen van departementen en samenleving.

Deltaplan bèta en techniek

In 2005 heeft de uitvoering van het Deltaplan Bèta/techniek (Kamerstukken II, 30 3000 VIII, nr.

139) vaart gekregen. Het Platform Bèta en techniek heeft niet alleen nieuwe initiatieven ontplooid, zoals het sprint-programma voor het wetenschappelijk onderwijs waarin de tien universiteiten met bèta/ technische faculteiten werken aan 15% groei en aan kwalitatieve vernieuwing.

Het programma richt zich onder meer op de verbetering van de

instroom en doorstroom van bèta/technische studenten. Daarnaast zijn bestaande initiatieven verder uitgebouwd.

In 2005 is de totale instroom in de exacte vakken gestegen.

Het aantal eerstejaars in het hbo is licht gedaald, maar daar staat een stijging van het aantal eerstejaars in het wetenschappelijk onderwijs tegenover. Over de hele linie van primair tot wetenschappelijk onderwijs wordt gewerkt aan de vernieuwing van het bèta- en techniekonderwijs.

De komende jaren zijn echter nog flinke inspanningen nodig om de doelstellingen te halen.

Creatieve industrie, cultuur en economie

In oktober 2005 is de beleidsbrief «Ons Creatieve Vermogen» (Kamerstukken II, 27 406, nr. 57) naar de Tweede Kamer verzonden. Verschillende bijeenkomsten gingen daaraan vooraf, zoals de conferentie Cultuur en Economie op 28 juni 2005.

Ook zijn er verschillende onderzoeken gedaan naar de directe en indirecte effecten van cultuur & creativiteit op de economie. De onderzoeksresultaten zijn gebundeld in het mapping document. Het programma voor de creatieve industrie omvat vijf actielijnen: het aansluitvraagstuk cultuur en economie, de versterking van de financiële condities voor creatieve bedrijven, de verbetering van de randvoorwaarden voor het intellectuele eigendom, de intensivering van de internationalisering en de professionalisering van het cultureel management.

Vanaf begin 2006 zullen de eerste resultaten zichtbaar worden.

Informatie- en communicatietechnologie (ict)

In december 2005 vond de EduExchange plaats, een bijeenkomst waar vertegenwoordigers uit het Nederlands onderwijsmanagement zich op de hoogte konden stellen van ontwikkelingen en trends in e-learning en waar ze kennis en ervaring konden uitwisselen met elkaar.

Twintig zogenaamde «referentieprojecten» hebben daar hun ervaringen met de afspraken over metadata en/of uitwisselen van educatieve content gepresenteerd aan het veld. APS, Kennisnet en SLO hebben afspraken gemaakt om hun leermiddeleninformatiebronnen te integreren.

In het najaar van 2005 zijn verder verschillende contentstimulerings-projecten (voor educatieve content op internet) gehonoreerd: 11 projecten in de BVE-sector en 6 projecten in het primair en voortgezet onderwijs.

Inhoudsopgave

In april 2005 is de Kennisrotonde officieel geopend, een website die zich richt op onderwijsinnovatie met ict. De bekendheid van de Kennisrotonde voldoet aan de verwachtingen.

De bekendheid bij de scholen is 18% en bij scholen in samenwerkingsverbanden 52%. In 2005 zijn circa 60 vraagstukken ingediend waarvan 15 vraagstukken zich in de fase van kennisontwikkeling bevinden.

Harmonisatiegroen onderwijs

De inzet van het plan van aanpak harmonisatie groen onderwijs(Kamerstukken II, 27 417, nr.

7) dat de ministers van OCW en LNV in augustus 2004 hebben uitgebracht, is de niet noodzakelijke verschillen tussen het groen en het overige beroepsonderwijs weg te nemen en de groene instellingen gelijkwaardige ontwikkelingsmogelijkheden te bieden. Inmiddels zijn belangrijke stappen gezet bij de uitvoering van het plan. Zo zijn er verkenningen uitgevoerd naar het domein «groen onderwijs» en naar de financiering van het groene onderwijs.

Stelselwijziging is niet noodzakelijk om de doelen van harmonisatie te bereiken.

Getalenteerde studenten (binnen en buiten Nederland) Voor de versterking van onze kenniseconomie is het van groot belang om getalenteerde studenten binnen en buiten Nederland aan te trekken en te behouden voor ons hoger onderwijs.

Daartoe moet het hoger onderwijs

1 De hoofdbeelden voor cultuur zijn beschrijvend van aard, omdat cultuurindicatoren nog ontbreken in «Bestel in beeld 2004».

meer gedifferentieerd worden: naast opleidingen die breed toegankelijk zijn voor grote groepen studenten, moeten er excellente opleidingen komen voor studenten die extra gemotiveerd en getalenteerd zijn. In 2005 zijn daarom de experimenten «Ruim baan voor talent» gestart met selectie en differentiatie van collegegeld voor opleidingen met erkende evidente meerwaarde.

Een tweede ronde experimenten, met honours programma’s, start in 2006. Verder richten we in 2006 pilots in met centres of excellence,die speciaal zijn bedoeld om talentvolle studenten uit het buitenland aan te trekken.

Ondernemerschap en versterken innovatief vermogen Er is een krachtige beweging ontstaan om de innovatie in en rond het HBO te versterken en de aandacht voor ondernemerschap in het onderwijs te vergroten.

Zo is in 2005 de kennisuitwisseling tussen hogescholen en MKB-bedrijven verder verbeterd door de voortzetting van de RAAK-regeling (Regionale actie en aandacht voor kennisinnovatie). Uit de voortgangsrapportage van de Stichting Innovatie Alliantie (SIA) over 2004 en 2005 blijkt dat RAAK, net als het inzetten van lectoren, een succesvol instrument is om de kennisinnovatiefunctie van het hbo te maximaliseren.

  • 5. 

    Minder regels, meer ruimte en een heldere verantwoording

OCW ontregelt

Het kabinet heeft in het Hoofdlijnenakkoord afgesproken de administratieve lastendruk voor burgers en bedrijven met een kwart te verminderen.

OCW voldoet aan deze afspraak: in april 2004 en juni 2005 is de Tweede Kamer geïnformeerd over een pakket aan reductiemaatregelen die de administratieve lasten voor burgers, bedrijven en instellingen met ten minste 25% doet afnemen (Kamerstukken II, 29 546, nr.

1 en 29 546, nr. 1). Zo wordt het gemakkelijker voor het bedrijfsleven om een Erkenning Leerbedrijf aan te vragen. Daarnaast wordt de geldigheidsduur van deze Erkenning verlengd van 2 naar 4 jaar. Dit levert een reductie op van jaarlijks 4,5 miljoen euro. De resultaten van OCW Ontregelt worden in de bedrijfsvoeringsparagraaf gepresenteerd.

Verantwoording en toezicht

De visie op de besturingsrelatie met de OCW-instellingen is neergelegd in de beleidsnotitie «Governance in het onderwijs» (Kamerstukken II, 30 183, nr.

1) van juli 2005. Meer afstand tot meer autonome instellingen is de kernboodschap in deze beleidsnotitie. Ook besteedt de governance-notitie aandacht aan de veranderde eisen die een dergelijke besturingsfilosofie met zich meebrengt voor verantwoording en toezicht.

Met de uitwerking van deze eisen is in 2005 gestart. Relevant in dat verband is ook de Kaderstellende Visie op Toezicht van het ministerie van BZK van oktober 2005 waaraan ook OCW een uitwerking zal geven in de OCW-visie op toezicht.

  • 6. 

    Een beeld van het stelsel

Net als vorig jaar bevat het departementale jaarverslag naast de beleids-terugblik op 2005 (de terugblik op de beleidsagenda) ook een korte terugblik op de werking van het bestel.

Daarmee krijgt de verantwoordelijkheid van OCW voor het bestel een meer herkenbare plaats. Deze passage schetst de hoofdbeelden van de werking van het bestel, gebaseerd op «Bestel in beeld 2005», een aparte publicatie bij de jaarlijkse publicatie «Kerncijfers OCW».1

Onderwijsbestel

Een van de hoofddoelstellingen van het onderwijs is het voorbereiden van deelnemers op de arbeidsmarkt.

De opbrengst – ofwel de doeltreffendheid van het bestel in termen van kwalificatie – ontwikkelt zich positief. Het aandeel hoger opgeleiden stijgt en het aandeel zonder startkwalificatie daalt licht sinds 1998.

Wat de vaardigheden van de leerlingen betreft, behoort Nederland tot de top.

Nfa forex transactions regulatory guide

Volgens recente internationale onderzoeken naar prestaties van deelnemers in het primair en voortgezet onderwijs (respectievelijk TIMSS en PISA), blijken Nederlandse deelnemers hoog te scoren voor wiskunde en natuurwetenschappen. Nederland behoort op deze gebieden tot de top 10 van de wereld.

Voortijdig schoolverlaten blijft een knelpunt. De Nederlandse kenniseconomie heeft behoefte aan hoger opgeleiden. Naast een stijging van het aandeel hoger opgeleiden is het verder terugdringen van het aandeel jongeren zonder startkwalificatie van belang.

Bovendien vraagt ook één van de Lissabon-doelstellingen om een daling van het aantal jongeren zonder startkwalificatie.

Nederland is de afgelopen jaren weliswaar dichter bij het EU-streefcijfer gekomen, maar moet nog veel doen om het te bereiken. Terugdringen van voortijdig schoolverlaten is daarbij van groot belang. Het Nederlandse percentage voortijdig schoolverlaters daalt geleidelijk, zoals recente cijfers bevestigen, maar ligt ook in internationaal perspectief nog op een hoog niveau. Voorlopig moet het terugdringen van voortijdig schoolverlaten daarom nog prioriteit krijgen.

De Inspectie rapporteert over de kwaliteit van het onderwijsproces in het primair en voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs (bve).

De kwaliteit van het hoger onderwijs wordt beoordeeld door de visitatiecommissies. Het beeld is over de hele linie overwegend positief. Instellingen scoren op de verschillende indicatoren over het algemeen voldoende/goed.

Ook de ouders oordelen over de kwaliteit van het onderwijs, de leraren en de school van hun kinderen. Uit de Onderwijsmeter 2004 blijkt dat zij redelijk positief zijn over het onderwijs en de leraren, en positief over de school van hun kinderen.

Als we kijken naar de toegankelijkheid van het onderwijs, dan zien we dat meer jongeren onderwijs volgen.

Artikel 7.8 onderwijs en examenregeling ipo

Verder valt op dat meisjes vaker de leerweg havo/vwo-ho volgen en jongens vaker de leerweg vmbo-mbo. Allochtonen zijn oververtegenwoordigd in de leerweg vmbo-mbo.

Het onderwijs is doelmatig. Nederlandse leerlingen halen relatief hoge resultaten met de beschikbare middelen. Als we de onderwijsuitgaven van Nederland vergelijken met de ons omringende landen, dan valt op dat Nederland in het primair en voortgezet onderwijs gemiddeld minder geld uitgeeft per leerling.

Voor het hoger onderwijs liggen de uitgaven gemiddeld juist wat hoger dan in de ons omringende landen.

Stelsels studiefinanciering en tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

De stelsels studiefinanciering en tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten dragen bij aan de doelstelling om de toegankelijkheid van het onderwijs te waarborgen.

Het beleid richt zich op het wegnemen van financiële belemmeringen voor de gedefinieerde doelgroepen in de onderwijsvelden hoger onderwijs, beroeps- en volwasseneneducatie en voortgezet onderwijs. Hierbij is het streven dat iedere studerende die

aanspraak kan en wil maken op een beurs of een tegemoetkoming deze ook ontvangt.

Het aantal studerenden met studiefinanciering of een tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten is in lijn met de ontwikkeling van het totale aantal leerlingen en studenten.

Terugblik wetenschapsbestel

De kwaliteit van het Nederlandse onderzoek van (publieke) kennisinstellingen is hoog.

Het Nederlandse onderzoek behoort – al jaren – tot de wereldtop. Dit blijkt uit citatiescores van publicaties, de visitaties van universitair onderzoek, en de verschillende ranglijsten die zijn opgesteld van de beste universiteiten in Europa. Al moeten die ranglijsten voorzichtig worden gehanteerd.

Het wetenschapsbestel is doelmatig.

Er is sprake van zeer goede kwalitatieve prestaties in relatie tot het beschikbare investeringsniveau. Ook de productiviteit van de Nederlandse onderzoeker is naar behoren en dat geldt zeker voor de stijging van de productiviteit in de loop der jaren. Tegelijkertijd moeten we ons realiseren dat Nederland slechts 2% van de kennis die in de wereld wordt geproduceerd voor zijn rekening neemt.

Het is dan ook noodzakelijk om elders ontwikkelde kennis te absorberen. Dat vraagt om een goed opgeleide beroepsbevolking.

Internationaal gezien zijn de R&D-uitgaven als deel van het BBP relatief laag ten opzichte van de ons omringende landen. Het verschil ontstaat doordat het private aandeel in de Nederlandse R&D-uitgaven achterblijft. Het kabinet investeert ruimschoots via enveloppemiddelen en FES in publieke R&D.

De onderzoekers zelf zijn de motor van het wetenschapsbestel.

Meer dan de helft van de uitgaven in het bestel zijn uitgaven voor personeel. In vergelijking met andere EU-landen moet Nederland nog meer onderzoekers aantrekken. In dit opzicht vormen vrouwen en allochtonen nog een onderbenut potentieel. Nederland heeft vergeleken met andere landen een laag aandeel vrouwen dat wetenschappelijk onderzoek doet, zowel aan de universiteiten, de researchinstellingen als in bedrijven.

Onderzoekers werken in toenemende mate samen met onderzoekers uit andere landen.

Onderzoek is van oudsher al een activiteit met een internationaal karakter, maar dit is nog versterkt door de Europese Kaderprogramma’s. Internationale co-publicaties hebben een hogere citatiescore dan de andere soorten publicaties.

Cultuurnotastelsel

Het cultuurnotastelsel is ingericht om de kwaliteit en toegankelijkheid van het cultuuraanbod te borgen.

Beide bepalingen zijn opgenomen in de wet. Kwaliteitsborging vindt vierjaarlijks plaats met een integraal advies van de Raad voor Cultuur over alle cultuurnota-instellingen.

Toegankelijkheid en spreiding zijn criteria om in aanmerking te komen voor cultuurnotasubsidie. Het stelsel biedt instellingen de garantie dat zij hun werk in continuïteit kunnen uitvoeren: voortaan wordt niet meer jaarlijks, maar vierjaarlijks besloten over subsidieverlening.

Aan de hand van jaarverantwoordingen van de instellingen, monitort het ministerie de financiële positie (continuïteit) en de prestaties van de instellingen (doelmatigheid). In 2004 is, onder andere naar aanleiding van het debat met de Tweede Kamer over de Cultuurnota 2005–2008 een eerste begin gemaakt met een discussie over de cultuurnotasystematiek.

Doel is onderzoeken of de cultuurnotasystematiek in zijn huidige vorm en omvang nog steeds het geëigende instrument is om de wettelijke doelen te bereiken en zonodig

en in overleg met direct betrokken partijen alternatieven ontwikkelen.

Drie

vragen staan centraal:

+ Welke rol zou de rijksoverheid moeten spelen bij de subsidieverlening

in de culturele sector?

+ Welke elementen van de cultuurnotasystematiek zouden moeten

worden behouden?

+ Welke onderdelen moeten beter en hoe zou dat kunnen?

Mediastelsel

De kwaliteit van het mediastelsel is verankerd in de Mediawet, die onder meer de verantwoordelijk-heden en taken beschrijft op het terrein van de publieke omroep, de commerciële omroep en de pers . Het stelsel is ingericht om een onafhankelijk, gevarieerd en kwalitatief hoogwaardig media-aanbod te borgen, dat toegankelijk en betaalbaar is voor alle lagen van de bevolking.

Het gaat om aanbod van televisie, radio, kranten, tijdschriften en internet. De wet bevat garanties voor de doorgifte van omroepprogramma’s via de kabel en voor de diversiteit van de programmering. Het Commissariaat voor de Media ziet erop toe dat de omroepen en kabelexploitanten de bepalingen van de Mediawet naleven. Daarnaast adviseert het Commissariaat over de financiële verantwoording van de diverse instellingen (de continuïteit).

In 2004 is een aanvang gemaakt met de discussie over de toekomst van de publieke omroep. Doel is te komen tot een visie op de toekomst van de publieke omroep na 2007. Hierbij staan twee kernvragen centraal: wat zou de rol, taak en functie van een publieke omroep in de samenleving moeten zijn?

De tweede, daaropvolgende vraag betreft de inrichting van een publieke omroep: hoe kan de maatschappelijke relevantie daarvan het best tot zijn recht komen?

  • 7. 

    Enveloppemiddelen

De onderstaande tabel toont de nieuwe verdeling van de enveloppe-middelen uit de kabinetten Balkenende 1 en 2.

Tabel 1: Enveloppemiddelen (x € 1 miljoen

Naar een maximale participatie                                                                                              79,0

– exclusief middelen voor veiligheid                                                                                     37,5

Meer mensen werkzaaminhet onderwijs                                                                          100,0

Innovatie en versterking van de (top-) kennisinfrastructuur                                           220,6

Deregulering, autonomieenrekenschap                                                                              91,0

Totaal enveloppe                                                                                                                      528,1

Deze tabel betreft de verdeling van de enveloppemiddelen naar de verschillende beleidsartikelen.

Dit is conform de toezegging aan de Kamer in het debat over de financiële verantwoording 2004.

De verdeling van de enveloppemiddelen is als volgt verwerkt. Deze middelen zijn nog inclusief het LNV-aandeel in de enveloppe.

 

Tabel 2: Verdeling naar beleidsartikelen (x € 1 miljoen)

2005

Primair onderwijs

156,2

Voortgezet onderwijs

82,4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

36,8

Hoger beroepsonderwijs

42,0

Wetenschappelijk onderwijs

64,4

Arbeidsmarkt en personeelsbeleid

68,6

Informatie- en communicatietechnologie

23,7

Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

3,0

Cultuur

17,0

Onderzoek en wetenschappen

17,6

Ministerie algemeen

15,4

Inspecties

1,0

Totaal uitdeling

528,1

  • 1. 

    PRIMAIR ONDERWIJS

1.1  Algemene beleidsdoelstelling

De algemene beleidsdoelstelling voor het primair onderwijs is dat alle kinderen passend en kwalitatief goed onderwijs krijgen in deugdelijk toegeruste scholen.

Het gaat hier om kinderen in de leeftijdscategorie van ongeveer 4 tot 12 (maximaal 14) jaar en jongeren van ongeveer 4 tot en met 19 jaar, die door een handicap of een gedragsstoornis zijn aangewezen op een orthopedagogische en orthodidactische benadering.

Om deze doelstelling te kunnen realiseren is in de Wet op het primair onderwijs (WPO) en de Wet op de expertisecentra (WEC) vastgelegd dat de (rijks)overheid een stelsel van basisscholen, respectievelijk een stelsel van scholen voor het (voortgezet) speciaal onderwijs in stand houdt.

1.2  Budgettaire gevolgen van beleid

 

        

Tabel 1.1 Budgettaire gevolgen van beleidsartikel 1 (x € 1 000)

 
  

Realisatie

 

Vastgestelde

Verschil

     

begroting

 
 

2002

2003

2004

2005

2005

2005

Verplichtingen

6 874 631

7 275 972

7 514 143

7 922 743

7 525 535

397 208

  • Waarvan garantieverplichtingen

0

30 000

0

0

0

0

Totale uitgaven (programma + apparaat)

6 876 991

7 245 233

7 574 341

7 881 588

7 526 664

354 924

Programma-uitgaven

6 876 991

7 245 233

7 568 334

7 875 869

7 521 085

354 784

Toerusting

5 380 245

5 694 425

5 916 581

6 180 033

5 911 204

268 829

Personele vergoedingen

4 468 049

4 757 707

4 933 758

5157 036

4 835 394

321 642

Materiële vergoedingen

815 482

832 366

858 359

888 097

862 036

26 061

Invoering lumpsumfinanciering

30 719

35 792

53 329

59 762

57 700

2 062

Schoolbegeleiding

57 212

59 383

64 385

65 473

60 569

4 904

Tussenschoolse opvang

3 753

4 954

4 885

8 119

6 000

2 119

Overig (incl.

voorcalc. uitdeling)

5 030

4 223

1 865

1 546

89 505

Kwaliteit

10 462

13 979

15 391

15 981

13 891

2 090

Aanpak zwakke scholen

0000

0

0

Vergroten kwaliteitszorg

0

0

666

676

666

10

Schooltijden

0000

0

0

Kerndoelen

0000

0

0

Cultuur en school

0

0

750

5 812

1 800

4 012

Innovatie in het primair onderwijs

0

0

1 955

767

4 000

-3 233

Vergroten zwemvaardigheid

4 355

5 255

4 633

1 935

2 245

-310

Overig

6 107

8 724

7 387

6 791

5 180

1 611

Toegankelijkheid

1 486 284

1 536 829

1 590 766

1 637 220

1 566 524

70 696

Onderwijsachterstandenbeleid

609 144

597 221

597 338

548 515

548 516

- 1

WSNS: onderwijs aan leerlingen met een specifieke

      

zorgbehoefte

313 733

320 919

332 013

341 246

324 559

16 687

Onderwijs aan leerlingen met een handicap of

      

gedragsstoornis

538 127

595 700

637 367

714 043

654 089

59 954

Veiligheid op school

0

0

0

8 758

15 000

Eerste opvang onderwijs aan leerplichtige asiel-

      

zoekers

4 606

2 708

2 494

2 182

2 186

-4

Informatievoorziening brede scholen

285

309

309

395

350

45

Nederlands onderwijs in het buitenland

12 229

12 371

13 332

13 359

13 247

112

Overig

8 161

7 601

7 913

8 721

8 577

144

Tabel 1.1 Budgettaire gevolgen van beleidsartikel 1 (x € 1 000)

 
 

Realisatie

 

Vastgestelde begroting

Verschil

2002

2003

2004

2005

2005

2005

Programma uitgaven overig 0 IBG 0 CFI 0

0 0 0

45 596

9 754

35 842

42 635 11 497 31 138

29 466

8 855

20 611

13 169

2 642

10 527

Apparaatsuitgaven 0

0

6 007

5 718

5 579

139

Ontvangsten 49590

28 417

88 998

43 151

20 133

23 018

De indeling van beleidsdoelen verandert ieder jaar iets.

Om bedragen te kunnen vergelijken met het verleden zijn de uitgaven voor ICT opgenomen bij de materiële vergoedingen. De uitgaven voor invoering jaarverslag zijn opgenomen onder overig toerusting en de uitgaven voor de verbreding techniek in het basisonderwijs zijn opgenomen onder overig kwaliteit. N.B. Door afrondingsverschillen kunnen de getallen niet helemaal optellen tot het totaal.

Toelichting uitgaven

Het verschil tussen de raming en realisatie van de uitgaven voor personeel en materieel wordt veroorzaakt door een stijging van lonen (hogere premies, nieuwe CAO-afspraken, mede in relatie tot de invoering van het nieuwe ziektekostenstelsel en een incidentele eindejaarsuitkering) en compensatie voor de prijsontwikkeling.

Het verschil tussen raming en realisatie bij de post «Overig en voorcalculatorische uitdelingen» is het gevolg van het indalen van de loonbijstelling in de personele bekostiging en de prijsbijstelling in de materiele bekostiging.